Annaatje van 't Pitje

Als je uit het Genthof komt en je loopt de brug over, de Carmersstraat in, in de richting van de molens en nog voor je aan het Engels Klooster komt, was er ooit een waterputje aan de rechterkant van de straat. Hier kwamen de vrouwen en de meisjes uit de wijk van de Rolweg, de Drie Zwaantjes en de Rijkepijnderstraat met emmers en ketels water putten.
Vooral als het wasdag was en de vrijdag als de huisjes schoon geboend werden, was er een drukte van jewelste bij dat putje. Ondertussen vertelden de meisjes elkaar giechelend de laatste nieuwtjes uit het gebuurte.
Annaatje stond altijd de laatste in de rij. Zij werd door de andere meisjes opzij geduwd. Annaatje was een wees en had niet eens een broer of een lief die voor haar konden vechten. Het meisje was nochtans van heel wat betere afkomst dan haar buurmeisjes. Haar ouders waren rijke boeren geweest, maar haar moeder stierf in 't kraambed en boer Paepe dronk zich van verdriet het graf in. Colette, de meid had zich over Annaatje ontfermd. Zij was ermee in de buurt van 't Engels Klooster komen wonen in een huisje dat nog te klein was om als hondenhok te dienen.

Colette had het kind verwend, dat het niet mooi was om aan te zien. Annaatje trouwens ook niet. Het kind had alle ziekten doorsparteld die de dokters toen al uitgevonden hadden: de stuipen, de mazels, de pokken en nog 7 andere plagen. Het arme wicht had er een bult en een pokkensnoetje aan over gehouden.

Op een dag, vlak voor kerstdag, hadden een paar van de ergste belhamels uit de Dievenhoek het enige kippetje gestolen, dat Stance Bogaerts uit de Venkelstraat bezat. Het mensje had er dagen voor gespaard. Colette wist wie het gedaan had en in een heilige verontwaardiging ging ze erop af. Stance was haar vriendin en Colette zou advocaat spelen. Ze schold de lummels uit voor het vuil van de straat. De jongens gooiden haar Stances kip naar het hoofd en vloekten.
Maar 's anderendaags kwam de wraak. Annaatje ging in de vooravond een emmertje water halen aan het putje. Plots werd zij gegrepen, 4 felle kerels duwden haar een prop in de mond, bonden haar handen en voeten samen en, omdat ze te lelijk was voor wat stoute jongens gewoonlijk met brave meisjes doen, gooiden ze haar gewoon in 't putje.

Een paar uur later stond de hele buurt op stelten, want Annaatje was verdwenen… Iedereen hielp Colette bij het zoeken. Op de hoek van de straat vond men Annaatje's muts en naast het putje lag één van haar klompjes. Met een lange stok viste men in het putje, maar 't was er helledonker. Het vroor dat het kraakte en de ijver was wat al te rap bekoeld. Het schoot Colette te binnen dat het kerstavond was. Ze bad tot Onze-Lieve-Vrouw. Ze liet zich op haar knieën vallen en kroop op haar blote knieën door de sneeuw recht naar de Potterie.
Tegen dat zij terugkwam vloog Annaatje al rond haar hals. De schabletters waren gekomen met touwen, ladders en lantaarns. Ze hadden het meisje gevonden in de put. Springlevend met een paar builen en blauwe plekken en een gescheurd jurkje. Annaatje was gered, want het putje was toegevroren. In het donker zag niemand dat haar bult en de pokkeputjes in haar gezicht verdwenen waren. Iedereen in het kwartier van de Oliebaan tot aan de Molenmeers was ervan overtuigd dat er op die mooie Kerstavond een schoon mirakel was gebeurd op 't hoekje van de Korte Speelmansstraat.
Uit dankbaarheid hebben de geburen toen die mooie calvarieberg opgericht en Annaatje van 't Putje staat er uitgebeeld en zij zal er blijven staan tot in de eeuwen der eeuwen.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License