Francois de Serret
Bouchot_-_Le_general_Bonaparte_au_Conseil_des_Cinq-Cents.jpg
François de Serret geboren in Brugge op 9 december 1767 en gestorven te Beernem op 5 oktober 1849, was militair in de Zuidelijke Nederlanden, burgemeester van Brugge, bosbouwkundige, lid van het Corps Législatif in de Franse tijd en Tweede Kamerlid in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

François-Joseph de Serret was de zoon van de uit Villers-le-Gambon (Namen) afkomstige officier François-Joseph de Serret (1739-1797) en van de Brugse Marie-Jeanne Willaeys. Hij huwde in 1797 met Marie-Thérèse van Outryve (1778-1858), de oudste dochter van Emmanuel-Louis van Outryve d’Ydewalle. Ze hadden zes kinderen, van wie er talrijke afstammelingen zijn, hoofdzakelijk langs de vrouwelijke lijnen . Eén van hun schoonzoons was de gouverneur van West-Vlaanderen, volksvertegenwoordiger en minister Adolphe de Vrière. Tot de andere afstammelingen de Serret behoren leden van de familie d'Udekem d'Acoz, onder meer prinses Mathilde.

François de Serret junior liet voor het eerst van zich horen in 1788 tijdens de Brabantse omwenteling, als lid van het Brugs vrijwilligerskorps dat werd aangevoerd door zijn vader. Deze was, tijdens de daaropvolgende Eerste Oostenrijkse restauratie, één van de zeldzame Brugse sympathisanten van de jonge losbol, prins de Bethune-Charost die zich inbeeldde de leider van een onafhankelijke Belgische staat te worden.

Toen de Franse revolutionaire troepen een eerste maal Brugge innamen, einde 1792, sloot de Serret junior aan bij de jacobijnse club. Zijn vader richtte opnieuw, nu in dienst van de Fransen, een militair korps op dat de orde in Brugge handhaafde en in maart 1793, toen Brugge weer Oostenrijks werd nam hij, samen met zijn zoons François en Louis (1769-1839) dienst in het Franse leger. Op een politielijst stonden ze vermeld als in dienst van de anarchisten.

In 1797 was François senior terug in Brugge om er te sterven en François junior om er te trouwen. Hij begon aan een ambtelijke loopbaan. Na de staatsgreep van 18 Brumaire ontstonden wat strubbelingen en werd hij enkele maanden adjoint au maire om vervolgens burgemeester van Brugge te zijn van 1800 tot 1803. Eén van zijn realisaties was de aanleg van de bomenrij van de Steenbrugse wandeling, leidend naar het Brugs kerkhof en naar Oostkamp. Hij werd ook lid van het kiescollege voor het departement van de Leie en was lid zowel van de Nationale wacht als van de Erewacht. Tijdens de wintermaanden bewoonde hij in Brugge het huis Casselberg in de Hoogstraat, sinds 1771 eigendom van de van Outryves. Hij werd tevens eigenaar in Beernem van een eigendom aangekocht door de oom van zijn vrouw, kanunnik Georges van Outryve en bouwde er in 1802 het kasteel Drie Koningen, in empirestijl, onder meer met bouwmaterialen afkomstig van de afgebroken Sint-Donaaskathedraal. Zijn geliefkoosde bezigheid was voortaan het kweken van bomen en planten op zijn uitgestrekt domein, terwijl hij ook actief was in de Société d’agriculture du département.

Het belette niet dat hij in 1813 werd afgevaardigd naar het Corps Législatif. Toen dit mandaat door de omstandigheden vroegtijdig was beëindigd, sloot hij zich aan bij de nieuwe machthebbers. In 1816 werd hij lid van de Provinciale Staten van West-Vlaanderen en van 1817 tot 1827 van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. In beide organen trad hij actief op en niet steeds naar de zin van de regering. Minister Falck noemde hem “een kwast”. Hij evolueerde tot tegenstander van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en toen in juli 1829 in Brugge een protestactie werd gevoerd onder de vorm van een constitutioneel banket, prijkte François baron de Serret als eerste, onmiddellijk gevolgd door zijn schoonbroer Jules d’Hanins, op de lijst van de ingeschreven deelnemers. Geen wonder dat hij in 1830 door de Bruggelingen verkozen werd tot lid van het Nationaal Congres. Hij bedankte evenwel voor de eer, met het excuus van zijn leeftijd.

François de Serret werd in 1813 na een audiëntie bij Napoleon, in de adelstand verheven en tot baron gepromoveerd. Na 1814 deed hij geen inspanningen om zijn adellijke status en zijn titel door Willem I te doen bevestigen, hoewel hij aanvankelijk het regime genegen was en tot de kleine minderheid van Brugse notabelen behoorde die de Grondwet goedkeurden. Hij werd niettemin verder baron genoemd (op de kiezerslijst van 1836 is hij aldus vermeld) en ook op zijn grafsteen werd deze titel gebeiteld. Pas veel later verkregen zijn kleinzoons Polydore en Henri, respectievelijk in 1871 en 1905, adelserkenning met bij eerstgeboorte overdraagbare baronstitels.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License