Het wijzigen van gelijknamige straatnamen in 1971 – 1973

Geschreven door Andries van den Abeele:

Inleiding

Op 1 Januari 1971 kwam de fusie tot stand tussen Brugge en haar randgemeenten Assebroek, Sint-Michiels, Sint-Andries, Sint-Kruis, Koolkerke en de twee poldergemeenten Lissewege en Dudzele. Dit samengaan stelde heel wat problemen voor gelijkschakeling op administratief, organisatorisch of fiscaal gebied en op nog tal van andere domeinen.

Een minder belangrijk probleem, maar dat op termijn vervelend kon zijn, was de aanwezigheid van identieke of bijna identieke straatnamen in de verschillende gemeenteafdelingen. Er kon weliswaar een zeker onderscheid gemaakt worden dankzij de verschillende postcodes 8000, 8200, 8310 en 8380, maar zelfs binnen die onderscheiden codes bestonden gelijke straatnamen. Hoe dan ook was men, na enige aarzeling hieromtrent, van oordeel dat het verschil in postcode onvoldoende was, wilde men niet in lengte van jaren met de problemen opgezadeld zitten van post die verkeerd of laattijdig werd afgeleverd of van bezoekers en leveranciers die op de verkeerde plaats terecht kwamen.

Het ging om een nogal aanzienlijk aantal straatnamen, in totaal om 96 gevallen waarbij meervoudig gebruik voorkwam. In 57 gevallen was dezelfde of praktisch dezelfde naam tweemaal in gebruik, in 27 gevallen driemaal, in 5 gevallen vier maal, in 3 gevallen vijf maal en in 4 gevallen zelfs zes maal (Berkenlaan of –straat, Bosdreef, -straat of -weg, Kerklaan of –straat, Molenstraat, Nieuwstraat) wat een totaal opleverde van 254 straten (op de bijna 1200 die Groot-Brugge toen telde), waarvan er bij het wegwerken van het meervoudig gebruik, 158 een nieuwe naam moesten krijgen [1].

Betekende dit voor de lange termijn een onvermijdelijke operatie, dan was het voor het onmiddellijke een delicate opdracht. Er woonden immers in al die straten in totaal circa 30.000 burgers, hetzij vijfentwintig procent van de bevolking van de nieuwe stad. Ieder wijziging van straatnaam betekende voor de bewoners het wijzigen van briefhoofden en naamkaartjes, van handelsregister en inschrijving in telefoonboek, van post- en bankrekeningadres, van identiteitskaart en paspoort, het verwittigen van bekenden, klanten en leveranciers, sociale kassen, etc. Ook administratief betekende dit praktisch hetzelfde werk als bij een verhuis en moesten ook de kadastergegevens worden aangepast. Het kwam er dus op aan de wijzigingen zo voorzichtig, zo doorzichtig en zo verantwoord mogelijk te realiseren, teneinde gewettigde kritiek te voorkomen.

De permanente raadgevende commissie voor toponymie en straatnamen

Om de beslissingen die hiervoor door de gemeenteraad moesten genomen worden zo degelijk mogelijk voor te bereiden, besliste het College van burgemeester en schepenen op 22 januari 1971, een raadgevende commissie op te richten en mij hiervan het voorzitterschap op te dragen. Dit was het gevolg van de belangstelling die ik in de vorige ambtsperiode voor dit onderwerp had laten blijken en van mijn voorstel om na het tot stand komen van de fusiestad zo een commissie op te richten [2].

Ik kreeg de ruimst mogelijke armslag en mocht zelf de commissie samenstellen. Volgens de briefwisseling die hierover bewaard is, ging dit snel. Op 3 februari ontving ik het schrijven van het College met de mededeling van zijn beslissing [3]. en op 15 februari ontving ik het akkoord over de samenstelling zoals ik die met mijn brief van 8 februari had voorgesteld [4].

De samenstelling van de commissie

De commissie bestond in hoofdzaak uit bekende Brugse heemkundigen en toponymisten. In de eerste plaats was dit ere-rijksarchivaris Jos. De Smet (1898-1972), de discipel van Karel de Flou. Wij benoemden hem op onze eerste bijeenkomst tot erevoorzitter. Helaas was hij toen al ziek en overleed hij op 12 februari 1972. De andere leden waren Magda Cafmeyer (1899-1983) voor Sint-Kruis, Jozef Penninck (1923-1986) voor Sint-Andries en Hervé Stalpaert (1914-1981) voor Assebroek, ook al strekte hun kennis zich ruimer uit dan de gemeenten waar ze het meest mee bekend waren. Ik heb geen herinnering meer waarom Maurice Coornaert (1920-1993) voor Sint-Pieters, Gerard Franchoo (1919-1991) voor Sint-Michiels en Willy Wentein voor Koolkerke er niet bij waren. Wellicht wilden wij de commissie niet al te uitgebreid maken [5].

Daarnaast zocht ik ook twee leden aan die naast hun kennis van of belangstelling voor de toponymie, waakzaam konden zijn over het correct taalgebruik: Frans Debrabandere, lid van de Koninklijke Commissie voor toponymie en dialectologie en Marc Boey (1905-1999), voorzitter van de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal, afdeling West-Vlaanderen [6]. Hun medewerking was bijzonder nuttig, want schrijfwijze en koppeltekens waren voor heel wat verbetering vatbaar. Waar ze de heemkundigen niet konden van overtuigen was ‘plaats’ te wijzigen in het correcte ‘plein’. Plaats zo was het en plaats zo moest het blijven. Die wijziging zou enkele jaren later geruisloos worden doorgevoerd. Ook de ambtenaar van de burgerlijke stand en schepen bevoegd voor bevolking, Lucien Verstraete werd lid.

Tenslotte was er nog stadsarchivaris Albert Schouteet (1909-1991), die niet alleen speciale kennis van de Brugse straatnamen had, maar tevens secretaris van de commissie werd. Het was eerder schoorvoetend dat hij zijn medewerking verleende. Hij was immers in het vroeger Brugge de enige aan wie het bestuur over toe te kennen straatnamen om advies vroeg en hij was het gewoon geworden hierin, zoals in de leiding van het archief, “mijn éénmanszaak” zoals hij het noemde, zijn eigen weg te gaan. Men kent voldoende de grote achting en vriendschap die mij met hem verbond [7] om het niet kwalijk te nemen dat ik hier vermeld dat hij wel enige passieve weerstand bood en ik zelf het grootste deel van de adviezen en hun verantwoording op papier moest zetten [8]. In zijn later boek De straatnamen van Brugge (Brugge, 1977) [9]. verwees hij met geen woord, noch in de inleiding, noch in de behandeling per straatnaam naar het bestaan of de werking van de adviescommissie, hoewel hij sommige teksten uit haar rapport letterlijk overnam. Hij moest tenslotte gedogen dat een jonge politicus boven hem werd aangesteld. Zijn medewerking was overigens, de enkele kleine speldenprikjes [10] niet te na gesproken, voorbeeldig.

De werkzaamheden

Vanaf haar installatie op 31 maart 1971 tot aan het indienen van haar rapport in november 1972 hield de commissie vijftien plenaire vergaderingen en een aantal beperkte bijeenkomsten voor het oplossen van moeilijke gevallen [11].

Het is jammer dat van deze bijeenkomsten geen stenografisch verslag bestaat. De discussies tussen de toponymisten waren vaak hevig en kleurrijk, waarbij ze mekaars kennis en eruditie op de proef stelden. Ze werden uiteraard in het Brugs gevoerd. De bewakers van de taal spraken keurig Nederlands, wat soms opmerkingen uitlokte bij Magda Cafmeyer over “die heren die vrimde spreken”. Wat niet belet dat de sfeer bijzonder hartelijk en gezellig was. De meeste leden van die Commissie zijn nu “ad patres” en alleen Frans Debrabandere en ik kunnen over die werking nog getuigen.

De werkmethode

Alvorens aan de concrete gevallen te beginnen, moesten we overeenstemming bereiken over de richtlijnen die we hierbij zouden volgen. In de eerste plaats waren er de onderrichtingen vanwege de voogdijoverheid. Die lagen volledig in de lijn van wat de commissieleden hierover dachten, zodat ze geen enkele moeite hadden ze na te leven [12].

Er werd daarnaast ook gebruik gemaakt van de “Regels voor de schrijfwijze van de straatnamen” opgesteld door de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, evenals van een paar algemene werken over het onderwerp [13].

Op basis hiervan stelde de Commissie haar eigen gedragsregels op, die luidden:

a) Er zal steeds absolute voorkeur gegeven worden aan oude toponiemen die al dan niet in de volksmond voortleven. Alleen als die niet voorhanden zijn, zal naar andere namen gezocht worden.

b) Er zal zo matig mogelijk gebruik worden gemaakt van persoonsnamen en men zal zich beperken tot personen die al heel lang overleden zijn en van wie aangetoond is dat hun naam in de gedachten is blijven verder leven. Zowel figuren uit de nationale als uit de plaatselijke geschiedenis komen hiervoor in aanmerking. Als een persoonsnaam moet verdwijnen wegens gelijknamigheid in een andere straat, zal zoveel mogelijk gezocht worden naar een persoon uit hetzelfde tijdperk of dezelfde geesteswereld.

c) Namen van bomen, bloemen, planten en dieren werden in het verleden op overmatige wijze gebruikt. De commissie zal dit zoveel mogelijk beperken, ook al zal noodgedwongen soms een naam door een gelijkaardige naam moeten vervangen worden, omwille van de systematische wijze waarop in veel nieuwe wijken en verkavelingen bij het geven van straatnamen werd te werk gegaan.

d) Om de wijzigingen zo beperkt mogelijk te houden, zal waar dit kan een voor- of achtervoegsel toegevoegd worden aan de te wijzigen naam.

e) Elk gebruik van abstracte begrippen zal geweerd worden, omdat die niet beantwoorden aan de eeuwenlange traditie op het gebied van straatnaamgeving in onze gewesten.

f) Als bijzondere regels werden ook aangenomen:

  • voorkeur aan korte namen (geen Keurvorst-Karel-Theodoorstraat meer!)
  • welluidendheid nastreven
  • gemakkelijk uit te spreken en te schrijven namen verkiezen
  • zo weinig mogelijk gelijkenis met bestaande straatnamen
  • de bestanddelen straat, dreef, laan of weg behouden zoals ze voorheen voorkwamen.

Met deze richtlijnen voor ogen voerde de Commissie haar werkzaamheden. Het resultaat ervan was dat ze voor het totaal aan uit te voeren wijzigingen 61 toponiemen voorstelde, 9 geografische namen, 30 historische persoonsnamen, 22 namen van planten en vogels, en 24 varia.

De toponiemen

Trouw aan het vooropgesteld principe zocht de Commissie voor de te vervangen namen telkens in de eerste plaats naar een passend toponiem.

Veertien hadden betrekking op Sint-Kruis en hier was de inbreng van Magda Cafmeyer overwegend. Zo kregen we: Aardenburgseweg (in plaats van Legeweg), Altebijstraat (Vestingstraat), Babbaardlaan (Nachtegaallaan), Beeweg (Bremstraat), Galgedreef (Boslaan), Driekoningenweg (Molenstraat), Dubbelsingel (Tempeliershof), Holleweg (Rijckeveldedreef), Kartuizersstraat (Guido Gezellestraat), Kloostermuur (Lentestraat), Koolstuk (Bloemenstraat), Maaibilk (Biezenstraat), Vijversgracht (Berkenlaan), en Gemeneweideweg-Noord (Gemeneweideweg).

Op Assebroek werden het er twaalf: Collegestraat (Veldstraat), Driehoek (Europastraat), Dries (Stokerijstraat), Gouden-Peerdstraat (Peerdenstraat), Geervelde (Nieuwstraat), Keurlingenweg (Bosstraat), ’t Maandagse (Schoolstraat), Mispelaar (Vredestraat), Moerbrugseweg (Legeweg), Odegemstraat (Koning Leopold I laan), Oude-Kortrijkstraat (Esperantostraat), Zuiderakker (Akkerstraat), Gemeneweideweg-Zuid (Gemeneweideweg).

Op Sint Michiels werden het er zeven: Hoog Vossenveld (Molenstraat), Jezuïetengoed (Kasteelllaan), Parklaan (Vijverlaan), Ten Briele (Nijverheidslaan), Walakker (Guido Gezellestraat), Zwanekerke (Schuttersweg), Brugs-Kerkhofstraat (Kerkhofstraat).

In Brugge werden het er ook zeven: Bilkske (Schijfstraat, in het verlengde van het bestaande Bilkske), Bloedput (Sint-Trudostraat), Garsoenstraat (Jagersstraat), Ketteldreef (Bloemenstraat), Schelstraat (Acht Zaligheden), Woensdagmarkt (Hans Memlingplein), Kegelschoolstraat (Schoolstraat).

In Sint-Andries werden het er vier: Beisbroek (Velddreef), Boeverbos (Akkerstraat), Noorderbruggeweg (Hogeweg), Witte-Beerstraat (Nieuwstraat).

In Koolkerke drie: Arendstraat (Ter Doestweg), Romboutswerve (Zomerstraat) en Noordreiestraat (Vaartstraat); in Lissewege en Zeebrugge zes: Gijzeleweg (Spoorwegstraat), Lisseweegsvaartje (Heiststraat en Hoogstraat), Onze-Lieve-Vrouwe-Ader (Dudzelestraat), Polderbos (Bosstraat), Pontestraat (Vaartstraat) en Scharphoutstraat (Scheepsdalestraat); in Dudzele zeven: Dudzeelsesteenweg (Bruggesteenweg), Duivekete (Nieuwstraat), Eivoordestraat (Heiststraat), Herdersbruggestraat (Stationstraat), Kijfaderstraat (Ramskapellesteenweg), Stapelvoorde (Molenstraat), en Zwaanhofstraat (Zeebruggestraat).

Voor elk van die voorstellen was er een historische rechtvaardiging. Voor sommige namen ging het alleen maar om een lichte aanpassing van de bestaande naam, maar een aantal grepen terug naar oude, soms middeleeuwse toponiemen.

De persoonsnamen

Koen Rotsaert heeft in zijn vergelijking tussen de naamgeving aan straten in Brugge, Kortrijk en Oostende er op gewezen dat in Brugge het minst persoonsnamen werden gegeven en dan nog uiterst weinig aan politieke figuren: slechts 7 (9% van het totaal aan straten met een persoonsnaam, tegen 18 % in Oostende en 25 % in Kortrijk) [14].

Ik ben het niet met hem eens waar hij concludeert dat in Brugge “alleen een handjevol personen van katholieke signatuur die eer kregen toegewezen”. Op de zeven namen zijn er maar 4 die aan deze definitie beantwoorden: Amedée Visart, Albert Ruzette, Felix de Mûelenaere en Leon de Foere. De liberalen Paul Devaux en Gustave Van Nieuwenhuyse en de republikein en “anarchist” Louis De Potter beantwoorden hier zeker niet aan. Men moet er nog aan toevoegen dat de inbreng bescheiden ingepast werd: er zijn geen huizen met het adres Graaf Visartpark, Ruzettepark of Van Nieuwenhuysedok. Alleen in een sociale woonwijk van de jaren vijftig werd aan enkele nieuwe straten een politiek tintje gegeven, door namen te geven van enkele van de vooraanstaande Brugse politici uit de beginperiode van het Belgisch koninkrijk. Bij de hierboven geciteerde kan men ook Jules Van Praet voegen, die als minister van de koning wel geen verkozen politiek figuur was, maar ook tot de liberale familie behoorde. Er moet nog worden aan toegevoegd dat in 1967 (op mijn voorstel trouwens) aan het Nijverheidsdok de naam van burgemeester Pierre Vandamme werd gegeven. Het ging om een nog levende persoon, die daarenboven nog in functie was, maar de gemeenteraad was van oordeel dat zijn verdiensten voor de industrialisatie van de stad een uitzondering op de algemene regel wettigden. Het ging trouwens niet om een straatnaam in de strikte zin [15].

Men kan er zich alleen maar over verheugen dat de Brugse gemeentebestuurders vroeger en nu aan de bekoring hebben weerstaan zichzelf of hun soortgenoten te vereeuwigen door een straatnaam. Sommige van de vroegere randgemeenten waren op dat gebied heel wat guller. In Sint-Andries had men de negentiende-eeuwse burgemeester Eduard de Nieulant met een straat bedacht. In Sint-Michiels werd aan zeven politici een straatnaam gegeven: de burgemeesters Jules de Serret, Gustaaf Baert en Louis De Mey, de schepenen Alfons De Baeke en August Bonte, de socialistische ministers Emiel Vandervelde en Joseph Wauters. In Assebroek was men nog royaler geweest: naast de schepenen Constant Van Steene, Camille Van den Bussche, August Derre en Camille van de Walle de Ghelcke, de gemeenteontvanger Gustaaf Dhoore en het gemeenteraadslid Pieter Corneille had men aan tien straten de naam van een vroegere burgemeester gegeven: Albin Van Renterghem, Dominique Busschaert, Ferdinand De Smet, François Pauwels, Jacobus Roelof, François Versluys, Joseph De Schepper, Jacobus Van Belleghem, Jacques Wante en Jules Wagner. Ook minister Albert Ruzette kreeg in Assebroek een prestigieuze laan, wat de verdwijning met zich meebracht van de aloude ‘Steenbrugse wandeling’, naam die de Bruggelingen trouwens nog altijd bij voorkeur gebruiken.

Een andere vaststelling is dat men zowel na de Eerste als na de Tweede wereldoorlog, aan straten de naam had gegeven van slachtoffers van het oorlogsgeweld (Albert Serreyn, Karel Titeca, Julius Delaplace, Emiel Bethuyne, Michel Van Hamme, Pierre Debbaut, Gaston Roelants en Emmanuel De Neckere) of, - uitsluitend na de Eerste wereldoorlog -, van militairen: kapitein Fryatt, admiraal Keyes, veldmaarschalk Foch, generaal Leman en generaal Naessens de Loncin. Had men hier enige tijd laten over gaan, zou men dit wellicht niet meer zo noodzakelijk gevonden hebben (immers: waarom zij en niet andere?), vooral niet als men hiervoor eeuwenoude namen moest vervangen.

De Commissie hield het in haar advies bij één enkele politicus, burgemeester Charles de Croeser, die tussen 1803 tot 1827 in moeilijke tijden een voortreffelijk stadsbestuurder was geweest en daarnaast ook een verdienstelijk genealoog was. Omdat de Boomgaardstraat in Dudzele moest omgedoopt worden, kwam het goed uit zijn naam daar te vereeuwigen, op korte afstand van zijn landgoed, het kasteel Ten Berge.

Voor de overige 29 voorgestelde nieuwe namen werd voornamelijk geput uit de Brugse en Vlaamse geschiedenis: de rederijkers Antonis de Roovere en Eduard De Dene, de Gezelliaanse dichters Eugeen Van Oye, Cesar Gezelle en Karel de Gheldere (in vervanging van Hugo Verriest, Guido Gezelle en Albrecht Rodenbach), de schilders Jan Garemyn, Pieter Paul Rubens en Simon Benning , de geleerden Petrus Curtius, Leonard De Bo, Filips Wielant, Jacob De Meyere en Marcus Laurinus, de musicus Nicolaas Gombert, de kroniekschrijvers Galbertus en Zeger van Male, de grote Nederlandse dichter Joost van den Vondel, de mystieke schrijfster Hadewych, de drukker Jan Brito, de missionaris (en onderpastoor van Dudzele) Amaat Vincke, de historicus en filantroop Karel Carton, de achttiende-eeuwse pastoor en weldoener van Assebroek Verhaeghe, de stedenbouwkundige Stübben die in het begin van de eeuw de naar hem genoemde stadswijk ontwierp en tenslotte Kardinaal Cardijn (in vervanging van een Kardinaal Mercierstraat). Verder gaven we nog de naam Aanborgers aan een straat die door de Gemene Weiden liep in Assebroek, de naam Casenbroot, naar de rechtsgeleerden Jan en Leonard Casenbroot op de wijk “Kaas en Brood” in Sint-Michiels, de naam van het geslacht Errembault in Dudzele, de naam Piersens van de gelijknamige familie (naam die in de volksmond bestond) in Sint-Michiels en tenslotte, als men die bij de personen mag rekenen, de naam Cuwaert, naar de haas in het beroemde dierenepos Van den Vos Reinaerde (in vervanging van een Hazenpad).

Dertig jaar later denk ik dat we niet ontevreden hoeven te zijn over de figuren die we toen met een straatnaam bedachten. Ze beantwoordden aan de stelregel dat het moest gaan om namen die in de gedachten waren blijven verder leven en op één uitzondering na waren de dragers ervan al heel lang overleden. Die uitzondering was kardinaal Cardyn die nog maar een paar jaar dood was, Hiermee werd een belofte ingelost die door burgemeester Vandamme was gedaan toen de pas benoemde kardinaal officieel op het stadhuis werd ontvangen.

Namen van planten en vogels

Vooral in nieuwe verkavelingen hadden de gemeentebesturen na de tweede wereldoorlog gemakshalve er voor gekozen om aan reeksen straten die bij elkaar hoorden namen van dieren (vooral vogels), van bomen of van bloemen gegeven. Vaak waren het dezelfde namen die voorkwamen, zodat nogal wat dubbel of meervoudig gebruik diende te worden weggewerkt. In een aantal gevallen kon dit door een toponiem, maar in veel gevallen leek het toch verkieslijk de homogeniteit van die naamgeving te behouden. In 22 gevallen werd dan ook voor een gelijkaardige naam gekozen. In enkele gevallen kon met door een lichte toevoeging de naam behouden: Rodebeuken in plaats van Beuken, Schietwilgen, Knotwilgen en Treurwilgen (Wilgen), Wilde Kastanje (Kastanje), Zilverberken (Berken), Zilversparren (Sparren), Zomerlinde (Linde) of Witte Merel (Merel). In andere gevallen werd een gelijkaardige soort gekozen: Abeelen (Beuken), Esdoorn (Linden), Espen en Iepen (Berken), Lorken (Sparren), Olmen (Berken), Platanen (Kastanje), Begonia (Azalea), Egel (Konijnen), Kwartel en Veldhoen (Patrijzen), Spreeuwen (Leeuwerik), Vinken (Zwaluwen). Dit was een oplossing die het ongemak tot een minimum beperkte en iedereen voldeed.

Geografische namen en varia

Er bleven dan nog 33 straten over, waarvoor geen voor de hand liggend toponiem aanwezig was en waar bij voorkeur een geografische naam genomen werd of een lichte wijziging van de bestaande naam.

Zo gaven we in Lissewege aan de Pastoriestraat en de Markt respectievelijk de namen Achter de Toren en Onder de Toren, in Brugge werd Vogelzang Vogelweide, Sint-Sebastiaanstraat Handboogstraat, Zomerstraat Oude-Zomerstraat, Generaal Lemanstraat Werfstraat en Schoolstraat Kegelschoolstraat. In Assebroek wijzigde de Boomgaard in Gaard; in Sint-Kruis de Vlamingstraat in Brugse-Mettenstraat, de Weidestraat in Kartuizersstraat, de Hoveniersstraat in Tuinierstraat; in Koolkerke de Hoogstraat in Smallestraat en de Vijverstraat in Reigersnesten; in Zeebrugge de Koning Leopold III-laan in Kustlaan, de Canadastraat in Hullstraat en de pastoriestraat in Zustersstraat . Een Dwarsstraat werd Korte Dwarsstraat (Sint-Michiels) en een Groene straat Nieuwe Groenestraat (Dudzele). Tempelhof in Sint-Michiels werd Schild en Vriendlaan, de Kapelstraat in Zeebrugge werd Stella-Marisstraat.

Het probleem van de zes Kerkstraten losten we op door die in Assebroek te behouden, en daarnaast voor te stellen de Sint-Pieterskerklaan (Sint-Pieters), de Sint-Lenardstraat (Dudzele), de Sint-Baafskerkstraat (Sint-Andries), de Oude-Kerkstraat (Sint-Michiels) en de Sint-Donaaskerkstraat (Zeebrugge). Voor de zes Molenstraten (met daarbij nog een Lange-Molenstraat en een Korte-Molenstraat) bewandelden we gedeeltelijk dezelfde weg met een Sint-Pietersmolenstraat (Sint-Pieters) en een Dorpsmolenstraat (Koolkerke).

Geen abstracties, geen actualiteit

Waar de Commissie zich strikt aan hield was het vermijden van abstracte namen. Die waren voordien op sommige gemeenten in trek geweest. Assebroek had aan de Vooruitgang en de Vrijheid een straat gegeven en Sint-Kruis aan de Welvaart en de Toekomst. Al even weinig voelde de Commissie voor categorieën, zoals die welke bijvoorbeeld uit de vaderlandsliefde gesproten waren: Ontmijners en Oud-strijders in Sint-Andries, Invaliden in Sint-Kruis en Vuurkruisen in Assebroek.

Brugge gaf anderzijds ook een paar voorbeelden die aantoonden dat het, hoe goed ook bedoeld, niet wenselijk was te dicht bij de actualiteit aan te sluiten. In de jaren zestig had men een Eriestraat en een Laconiastraat gemaakt, naar twee Amerikaanse ondernemingen die in die twee plaatsen hun hoofdzetel hadden en in Brugge een bedrijf hadden opgericht. Enkele jaren later waren ze beide alweer verdwenen. Beide straten vereeuwigen derhalve twee mislukkingen in de Brugse inspanningen voor industrialisatie.

Een laatste opmerking is dat, naast alle andere elementen waar de Commissie mee rekening hield, ook het aantal inwoners in ieder straat werd in het oog gehouden. Als het enigszins kon werd de bestaande naam behouden in de straat die het meeste inwoners telde. In twee gevallen werden zelfs met een handigheidje beide straatnamen ongeveer behouden omwille van het groot inwoneraantal. Het betrof de Sinte-Katelijnestraat (498 inwoners) en de Sinte-Katarinastraat (446 inwoners): de tweede naam werd behouden en van de eerste verdween gewoon de ‘Sinte’, aldus de naam in overeenstemming brengend met de spreektaal die het altijd al over de Katelijnestraat had. Het tweede probleem was het dubbel gebruik van Koningin Astridlaan in Assebroek (1155 inwoners) en Sint-Michiels (413 inwoners). Er lag een nieuwe naam voor de hand in Assebroek, met name de terugkeer naar de vroegere naam Oedelemsesteenweg. Nochtans vond de Commissie dat men als minste euvel gewoon de ‘koningin’ in Assebroek kon weglaten, wat ook weer in overeenstemming was met het gebruik in de spreektaal [16].

Naar het schepencollege

Begin november 1972 werd het verslag van de Commissie overgemaakt aan het schepencollege, waar ik sedert begin 1972 deel van uitmaakte. De voorstellen werden in zitting van 10 november 1972 op de agenda geplaatst. Ik vrees dat de meeste van mijn collega’s niet de tijd namen het verslag grondig door te nemen en het in vertrouwen goedkeurden.

Een paar wijzigingen werden evenwel beslist. Het voorstel om de Koning-Albertlaan op grondgebied Sint-Michiels te wijzigen in Erasmuslaan werd afgewezen. Men vond het beter de Koning-Albertlaan vanaf het Zand tot aan de viaduct (waar niemand woonde) gewoon door te trekken naar Sint-Michiels, en een klein gedeelte van de tussen beide liggende Rijselsestraat in de Koning-Albertlaan op te nemen.

Schepen Maurice De Grande, oud-burgemeester van Koolkerke had wél het verslag gelezen en bekwam twee wijzigingen. De Ter Doestweg zou niet de Cisterciënzerweg worden, maar de Arendstraat, naar een oude herberg die daar lag en onlangs verdwenen was. Voor de Zomerstraat in Koolkerke had de Commissie Romboutswerve voorgesteld, maar er kon verwarring ontstaan met de Romboutstraat in Dudzele. Schepen De Grande stelde voor de straat voortaan Berenwegel te noemen, naam die deze straat in de volksmond droeg [17].

Naar de gemeenteraad

Op 15 december 1972 kwam het “Voorstel tot herziening van de gelijkluidende straatnamen in Groot-Brugge” voor de gemeenteraad. Het bleek dat nu pas een paar leden van het schepencollege kennis hadden genomen van de voorstellen en bepaalde bezwaren hadden. Ook sommige gemeenteraadsleden hadden hier en daar opmerkingen [18].

Daarom, nadat burgemeester Michel Van Maele, hierin namens de oppositie gevolgd door raadslid Firmin Van de Calseyde, de Commissie had gefeliciteerd en bedankt, werd beslist het punt uit te stellen tot op de volgende zitting om ondertussen de bezwaren en alternatieve voorstellen te bespreken.

Die volgende vergadering, de traditionele “Nieuwjaarszitting” had plaats op 28 december 1972 en werd voorafgegaan door een “algemeen berek” daags voordien, waar de laatste hand werd gelegd aan het voorstel. In de raadszitting werd het gewijzigd voorstel unaniem goedgekeurd [19].

Enkele toponiemen waren bij de discussie gesneuveld. Bloedput werd te griezelig bevonden en door Pater Damiaanstraat vervangen (vroegere Sint-Trudostraat), de Kettelstraat (Bloemenstraat) werd op verzoek van inwoners Koetelwijk (zij vonden dat net zoals het destijds het geval was, in de volksmond de ‘kitteldreef’ zou genoemd worden en dit niet paste voor een wat afgelegen straat, die al zo al genoeg de reputatie had een vrijershoekje te zijn), de Schelstraat (Acht Zaligheden) werd ook op verzoek van inwoners Minnewater, Boeverbos werd Koude-Keukenstraat, Galgedreef (Boslaan) werd na protest van de bewoners vervangen door Beukenboslaan.

Het was vooral voor de gemeente Sint-Michiels dat nogal wat wijzigingen werden aangebracht. Hoog Vossenveld (Molenstraat) werd vervangen door Witte-Molenstraat, de Nieuwstraat werd ’t Speelhof in plaats van Jan Garemynstraat, Jezuietengoed (Kasteeldreef) sneuvelde voor Sint-Arnolduslaan, Schild en Vriendlaan (Tempelhof) werd Kaproenenhof, de Guido Gezellestraat werd de Vijverhoflaan maar de ervoor bestemde naam Walakker werd opgevist en aan de Vijverlaan en een deel van de Parklaan gegeven. Deken De Bo moest voor wat de Prins Leopoldstraat betreft, wijken voor de benaming Groene-Poortedreef. De Prins Karellaan werd de Casenbrootlaan in plaats van de Jacob de Meyerelaan en de Prins Albertlaan voor wie de commissie die naam was voorgesteld werd mee opgenomen in wat Ten Briele werd, samen met de vroegere Nijverheidslaan. Ook Bisschop Curtius ‘sneuvelde’, omdat men zegde dat de vroegere Schuttersweg, thans Ter Zwanekerke geworden, zou worden verbonden met de Sportlaan en beide vroegere benamingen door één enkele konden vervangen worden. Dertig jaar later liggen beide keerweerstraten er nog altijd braafjes paralleel naast mekaar zonder dat de aansluiting er gekomen is.

Op de andere gemeenten waren de ‘wijzigingen aan de wijzigingen’ minder talrijk. In Assebroek werd het voorgestelde Driehoek vervangen door Drieluikstraat, werd de Gaard Zuiderboomgaard en werd de Albrecht Rodenbachstraat gewijzigd in Blauwvoetstraat, terwijl de voor die straat vooropgestelde Karel de Gheldere verhuisde naar de Dr. Zamenhofstraat. Die verdween dus in Assebroek en ging de Esperantostraat in Sint-Kruis vervangen, zodat de gelijknamige straat in Assebroek kon behouden worden. De Esperantisten waren actief geweest! Verder sneuvelde het voorstel om van de Schoolstraat in Assebroek ’t Maandagse te maken, en vond men het beter de Schoolstraat in Sint-Andries op te heffen en te integreren in de Koning Leopold III-laan. In Sint-Kruis werd Schietwilgen op vraag van de inwoners vervangen door Waterwilgen (die vonden dat ‘schieten’ in het Brugs een wat kwalijke connotatie had) en werd de Hoogweg (met 412 inwoners) van het predikaat ‘Oude’ voorzien, om aldus in Sint-Andries de Hogeweg (met 462 inwoners) te kunnen behouden. In Lissewege werd de Pastoriestraat niet Achter de Toren maar Oude-Pastoriestraat.

Het ging alles bijeen niet om fundamentele wijzigingen en ze gingen niet in tegen de vooropgestelde principes. Het toonde aan dat er een reële inspraak was geweest (ook al had de gouverneur beslist dat na fusie van gemeenten hierover geen advies van de inwoners moest worden gevraagd) en het was zelfs in een aantal gevallen een verbetering. Sommige van de niet weerhouden namen werden in de daaropvolgende jaren door de Commissie hernomen en met meer succes voor nieuwe straten voorgesteld.

Kort na de goedkeuring werden nog twee goedgekeurde namen, na protest van de bewoners gewijzigd: de Nachtegaallaan was Babbaardlaan geworden, naar de naam van een daar vroeger gelegen hofstede. De inwoners vonden dat dit deed denken aan een babbe, kwijldoekje of slabbetje en dit niet met hun deftige status overeenstemde. Het werd Ter Woestyne, toponiem die ook met die plek verbonden was [20]. Zo was iedereen tevreden. De ‘Babbaard’ werd trouwens later voor een andere straat in de zelfde buurt opgevist. De Stübbenstraat vond ook geen genade bij de bewoners, die het al voldoende vonden dat ze in het Stübbenkwartier woonden. In de plaats werd het de Dirk Boutsstraat [21].

In totaal werden in deze eerste en voornaamste fase van naamwijzigingen, waar er later nog een tiental zouden worden aan toegevoegd, 146 straatnamen gewijzigd: 29 in Assebroek, 27 in Brugge en Zeebrugge, 15 in Dudzele, 7 in Koolkerke, 10 in Lissewege, 10 in Sint-Andries, 21 in Sint-Kruis en 27 in Sint-Michiels.

Een blijvende opdracht

Hiermee was de “operatie straatnamenwijziging” tot een goed einde gebracht. Zoals burgemeester Van Maele het tijdens de zitting van 15 december 1972 zegde: “Het is een zeer belangrijke zaak die onze bevolking zeer nauw raakt. (…) De straatnamen veranderen niet iedere dag en ik meen dat we geen aandacht genoeg aan dit probleem kunnen geven aangezien een zo omvangrijke gelijkheid van straatnamen zich vermoedelijk nooit elders heeft voorgedaan”.

De goedkeuring vanwege de gouverneur liet niet op zich wachten [22]. Professor H. Draye schreef een lovende bijdrage over het werk van de Commissie “dat als voorbeeld kan gelden voor alle Vlaamse steden en gemeenten [23]."

Enkele maanden later kwam nog een staartje. De commissie, het schepencollege en de gemeenteraad waren niet ver genoeg gegaan zo vond de Bevolkingsdienst die nieuwe voorstellen voor wegwerken van dubbel gebruik deed. Het ging om acht gevallen. In Sint-Michiels werd de Schuttersweg bevestigd als Ter Zwanekerke, de Sportlaan werd dan toch de Bisschop Curtiusstraat (ook al is deze wijziging dus nooit doorgevoerd), de Schoolstraat de Jan Garemynstraat en de Sint-Hubertuslaan de Artemislaan. In Lissewege werd de Spoorwegstraat Wulfsberge en de Vredestraat de Pater Verbiststraat, de Vaartdijk in Zeebrugge werd Strooiendorpweg en in Dudzele de Zeekanaalweg. In Brugge werd de Vestingstraat de Oude-Vestingstraat [24]. Dit bracht het totaal op 154 wijzigingen, hetzij op vier na het aantal dat de Commissie bij de aanvang van haar werkzaamheden had vooropgesteld.

De Commissie die voor een concrete opdracht was opgericht werd na afloop van haar taak niet naar huis gestuurd, maar definitief behouden als adviesraad voor alle verder te geven nieuwe straatnamen of te wijzigen namen [25]. Ze heeft nu al bijna dertig jaar deze opdracht vervuld.

Een goede straatnaam uitkiezen is natuurlijk geen wereldschokkend werk. Nochtans verdient dit bescheiden element in onze leefwereld de aandacht die men er in Brugge aan besteedt. In veel gevallen leert het de bewoners iets over de geschiedenis van hun stad en van de wijk en straat waarin ze leven. Zoals de monumenten en het stadsweefsel, geven de straatnamen aanknopingspunten met het verleden en de voorouders, met de geschiedenis en met de grote figuren die ons zijn voorgegaan. Ze maken deel uit van het ‘aanwezig verleden’.


Bibliografie van Andries van den Abeele:
1. Het aantal lag veel hoger dan het Schepencollege aanvankelijk dacht. SAB, Archief Commissie toponymie en straatnamen, brief 19 januari 1971 van F. Traen aan A. Van den Abeele: “Het College vindt dat bestaande straatnamen zoveel mogelijk moeten bewaard worden. Des te gemakkelijker daar de postcodenummers en de namen van de vroegere gemeenten voldoende duidelijkheid geven”. Onder invloed van de ambtenaren van de Bevolkingsdienst werd evenwel veel verder gegaan. Vanuit de praktijk waren ze op die dienst van oordeel dat zo ver mogelijk diende gegaan in het wegwerken van de gelijke namen. Zelfs de straten die men aanvankelijk voldoende verschillend achtte zoals Bosdreef en Boslaan, werden als dubbel gebruik beschouwd.
2. A. VAN DEN ABEELE, Dagboek van een gemeenteraadslid, Brugge, 1970, blz. 84-85.
3. SAB, Archief Commissie toponymie en straatnamen; SAB, Archief Van den Abeele, 1972, Straatnamen. De brief van 19 januari 1971 van schepen F. Traen, deelde mee dat het Schepencollege mijn voorstel had goedgekeurd. Het is echter pas op 22 januari dat dit gebeurde, door de goedkeuring die gegeven werd aan bovengemelde brief.
4. zie voetnota 3.
5. zie voetnota 3. Er werden adviezen ingewonnen bij of ontvangen van Johan Ballegeer (Lissewege), Georges Franchoo (Sint-Michiels), André Cartreul (Lissewege en Dudzele).
6. Ze hadden zelf met een brief van 25 oktober 1970 hun belangstelling voor deze aangelegenheid meegedeeld (SAB, archief Commissie toponymie en straatnamen)
7. A. VAN DEN ABEELE, Stadsarchivaris Albert Schouteet, in: Brugs Ommeland, 1991, blz. 113-128.
8. Stad Brugge, Permanente Raadgevende Commissie voor toponymie en straatnamen, Advies over het wegwerken van dubbel of meervoudig voorkomende straatnamen op het grondgebied van de nieuwe stad Brugge, November1972, 130 blz (gestencileerd); manuscript in: SAB, Archief Van den Abeele, 1972, Straatnamen).
9. Zie ook: Frans DEBRABANDERE, Kritische aantekeningen bij Brugse straatnamen, in: Naamkunde, 1978, blz. 154-169.
10. Hij was vooral niet opgezet met het snelle rithme dat ik wenste aan te houden. Hij liet ere-voorzitter Jos. De Smet een brief schrijven met het verzoek het wat kalmer aan te doen (Stadsarchief Brugge, archief Commissie straatnamen).
11. Eigenlijk was de klus geklaard begin 1972. Het afwerken werd vertraagd door mijn onverwachte benoeming tot schepen begin februari 1972, wat de tijd die ik aan de straatnamen nog kon besteden, onder druk bracht. SAB; Archief Van den Abeele, 1972, Straatnamen: mijn brieven 20 januari 1972 aan College B. en S. meedelend: “omslachtig advieswerk nadert voltooiing, binnenkort rapport” en van 6 november 1972 met verontschuldigingen voor de vertraging.
12. * a) Brief minister van Binnenlandse Zaken van 20 februari 1945 (Bestuursmemoriaal Provincie West-Vlaanderen van 7 maart 1945): “er zich alleszins van te onthouden om reeds oude benamingen of die welke een folkloristisch of plaatsnaamkundig karakter hebben, te vervangen”;
* b) Schrijven van de gouverneur (Bestuursmemoriaal Provincie West-Vlaanderen van 20 november 1945); * c) Brief minister van Binnenlandse Zaken van 16 september 1946 (Bestuursmemoriaal Provincie West-Vlaanderen 1946, blz. 429) over de te volgen procedure bij het wijzigen van straatnamen; * d) Brief minister van Binnenlandse Zaken van 7 juli 1947 (Bestuursmemoriaal van de Provincie West-Vlaanderen 1947, blz. 429) met strenger toepassing van zijn vorige onderrichtingen; * e) Onderrichtingen van de Minister van Binnenlandse Zaken, brief van 7 februari 1949 (Bestuursmemoriaal Provincie West-Vlaanderen 18 februari 1949): het schepencollege is bevoegd voor nieuwe straatnamen wanneer het gaat om benamingen langs goedgekeurde rooilijnen bij nieuwe urbanisatie; de gemeenteraad is bevoegd voor alle wijzigingen aan bestaande straten en voor alle nieuwe straten die genoemd worden naar een persoon of gebeurtenis; straatnamen mogen slechts uitzonderlijk gewijzigd worden en alleen volgens de vroeger gegeven onderrichtingen; * f) Onderrichtingen van de Minister van Binnenlandse Zaken, brief van 2 oktober 1953 (Bestuursmemoriaal Provincie West-Vlaanderen 15 oktober 1953): bestaande straatnamen mogen niet gewijzigd, behoudens grondige reden; nieuwe straatnamen moeten in de eerste plaats geput worden uit geschiedenis, toponymie en folklore van de gemeente; voor persoonsnamen, in principe enkel van personen die al ten minste 50 jaar overleden zijn; * g) Onderrichtingen van de Minister van Binnenlandse zaken, brief van 5 september 1957 (Bestuursmemoriaal Provincie West-Vlaanderen 16 oktober 1957): bestaande straatnamen alleen wijzigen indien de overgrote meerderheid van de belanghebbende bewoners ermee instemt; geen straten noemen naar nog in leven zijnde personen; * h) Onderrichtingen van de gouverneur van West-Vlaanderen, brief van 10 maart 1971 (Bestuursmemoriaal Provincie West-Vlaanderen 17 maart 1971): bij samenvoeging van gemeenten en wijziging van gelijknamige straatnamen moet de straat met het grootst aantal inwoners zoveel mogelijk de oorspronkelijke naam behouden; het is niet nodig de instemming van de belanghebbende bewoners te bekomen.
13. * J. LEENEN, Theorie en praktijk van de straatnaamgeving, Leuven-Brussel, 1946
* P.J. MEERTENS en W. MOLL, Middeleeuwse en moderne straatnaamgeving, Leuven, 1953
14. K. ROTSAERT, Straatnamen en politiek in drie Westvlaamse steden, in: Biekorf, 1999, blz. 280-286
15. SAB, ingekomen brieven, mijn brief van 15 juni 1967; Stad Brugge, Gemeenteblad 1967, blz. 503 (zitting gemeenteraad 24 november 1967)
16. Niet iedereen was het daar mee eens. Raadslid F. Peuteman vroeg met zijn brief van 27 december 1972 dat de naam Koningin Astridlaan in Assebroek onverkort zou bewaard blijven en een nieuwe naam aan de Koningin Astridlaan in Sint-Michiels zou gegeven worden. (SAB, Archief Van den Abeele, 1972, Straatnamen).
17. SAB, Archief Van den Abeele 1972, Straatnamen, nota schepen Maurice De Grande
18. SAB, Archief Van den Abeele, 1972, Straatnamen: brief raadslid J. Weyts 26 december 1972, brief raadslid R. Reynaert 20 december1972, brief raadslid R. Legroe (in feite geschreven door burgemeester M. Van Maele) 22 december 1972
19. Stad Brugge, Gemeenteblad 1972, blz. 2040-2041 en blz. 2147-2153.
20. Stad Brugge, Gemeenteblad 1973, blz. 424.
21. idem, blz. 425.
22. Stad Brugge, Gemeenteblad 1973, blz. 744, akteneming brief Gouverneur 28 maart 1973.
23. H. DRAYE in Naamkunde, 1973, blz. 204-206.
24. Stad Brugge, Gemeenteblad, 1973, blz. 1597 en 1868.
25. In 1974 kwam men tot de vaststelling dat de Commissie voor toponymie en straatnamen eigenlijk nooit formeel was opgericht, gezien hierover geen beslissing van het Schepencollege terug te vinden was. Dit werd dan in het College van 15 maart 1974 goedgemaakt. (SAB; Archief Van den Abeele, 1972, Straatnamen).
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License